Probleemgedrag bij volwassenen met een verstandelijke beperking
Gepubliceerd op: 03-10-2019
Laatst bijgewerkt op: 21-10-2026
Probleemgedrag komt regelmatig voor bij mensen met een verstandelijke beperking (VB). Het kan een grote impact hebben op de persoon zelf, de familie en op anderen in de omgeving. Zo kan probleemgedrag leiden tot een verminderde kwaliteit van leven en hoog zorggebruik. Deze richtlijn geeft aanbevelingen om probleemgedrag te herkennen, te zoeken naar de oorzaken ervan en ermee om te gaan.
In het kort
Type interventie
Richtlijn
Voor wie
Begeleiders, Artsen, Verpleegkundigen
Cliëntgroep
Verstandelijke beperking, Ernstig verstandelijke beperking plus
Sector
Gehandicaptenzorg
Soort kennis
Praktijk, Onderzoek, Ervaring
Ontwikkelaar
Nederlandse Vereniging van Artsen voor Verstandelijk Gehandicapten (NVAVG)
De richtlijn is ontwikkeld om de kwaliteit van leven bij volwassenen met een VB en probleemgedrag te verbeteren en last en lijden bij deze groep en de naasten te verminderen. Andere doelen zijn:
- het beter signaleren van probleemgedrag;
- het beter vaststellen en behandelen van psychiatrische stoornissen;
- het verbeteren van de inzet van behandelingen zonder medicatie;
- de effectieve inzet van psychofarmaca.
De aanbevelingen in deze richtlijn zijn van toepassing op volwassenen van 18 jaar en ouder met een verstandelijke beperking en probleemgedrag.
De aanbevelingen in de richtlijn zijn bedoeld voor alle professionals die betrokken zijn bij het in kaart brengen van verklaringen voor probleemgedrag. En de begeleiding en behandeling daarvan bij volwassenen met een VB.
De richtlijn kan ingezet worden in elke setting waar volwassenen met een VB verblijven of veel tijd doorbrengen, waaronder de thuissituatie.
De richtlijn bestaat uit verschillende modules:
- een algemene inleiding op het onderwerp probleemgedrag;
- het proces van beeldvorming bij probleemgedrag;
- de begeleiding en behandeling van probleemgedrag;
- de inzet van psychofarmaca bij probleemgedrag;
- de organisatie van de zorg bij probleemgedrag.
Alle aanbevelingen in deze hoofdstukken bestaan uit niveau 1 tot en met 4. Dit niveau geeft de sterkte van de aanbeveling aan, waarbij 1 het sterkst is en 4 het minst sterk. Dit niveau is gebaseerd op de kracht en kwaliteit van het onderliggende bewijs en het gewicht dat door de werkgroep werd toegekend aan overige overwegingen.
De onderbouwing van de richtlijn vind je in een aparte bijlage. Je opent de bijlage vanuit de richtlijn zelf.