Toon zoekbalkToon menu

Het betrekken van cliënten, naasten en zorgprofessionals is zo belangrijk bij innovatie

De afgelopen periode kwamen de deelnemers van het themanetwerk Dagstructuur meerdere malen bij elkaar om samen met adviseurs en expert Arno Prinsen te praten over het betrekken van cliënten, naasten en zorgprofessionals bij het implementeren van een innovatie. Een belangrijk thema, omdat je toch graag wilt dat een gekozen innovatie door iedereen ondersteund en geaccepteerd wordt.

Maar waar moet je nou rekening mee houden bij het betrekken van cliënten, naasten en zorgprofessionals? En hoe zorg je er nou voor dat de gekozen innovatie uiteindelijk ook geborgd wordt en dat je het kunt opschalen? Een indruk van het interessante gesprek tussen Arno Prinsen en deelnemers Middin, WilgaerdenLeekerweideGroep, Esdégé-Reigersdaal en Amsta

Nieuwe technologie zorgt voor een wijziging in dagstructuur 

Arno Prinsen is gezondheidszorgpsycholoog. Hij werkte al sinds zijn studententijd met mensen met een beperking. Eerst als begeleider voor mensen met LVB en NAH. Later ontwikkelde hij zich tot psycholoog en bleef hij werkzaam in de gehandicaptensector. 'Als je cognitieve problemen hebt, is dagstructuur heel belangrijk. Het creëert een overzichtelijke wereld en dat vinden onze hersenen fijn. Als er geen dagstructuur aanwezig is, zien we bij cliënten vaak een stressreactie. Denk aan vechten, vluchten of bevriezen. Hetzelfde kan gebeuren als we "opzettelijk" afwijken van de dagstructuur van een cliënt. Bijvoorbeeld als we een nieuwe innovatie introduceren'.

Volgens Prinsen is dat dan ook precies de reden waarom we cliënten moeten betrekken bij de keuze voor een technologie. 'Je moet je afvragen of de cliënt begrijpt dat de innovatie zijn leven gaat verbeteren. Je ziet vaak een groot verschil tussen cliënten. Ik deel ze meestal in in verschillende persona’s.'

De verschillende cliëntenpersona's

  1. De voorbijgangers
    Dit zijn de cliënten die zelf geen probleem ervaren en dus ook geen hulpvraag stellen. Zij zullen dus niet snel de toegevoegde waarde van technologie inzien.
  2. De zoekers
    Dit zijn cliënten die ervaren dat hun hersenen anders werken dan normaal. Ze weten alleen niet goed wat dit betekent voor hun leven, waardoor de hulpvraag vaag is of heel algemeen blijft.
  3. De klanten
    Onder deze persona vallen cliënten die weten en ervaren dat hun hersenen anders werken. Zij hebben een duidelijke hulpvraag en zijn ook bereid om samen met zorgprofessionals en naasten te kijken naar mogelijke oplossingen.

Betrek ook naasten en zorgprofessionals

Dat het niet alleen maar om het betrekken van cliënten gaat, beaamt Prinsen. 'Ook de naasten en zorgprofessionals zelf moeten betrokken worden. Het is heel belangrijk om samen te kijken welk probleem je met een bepaalde technologie wilt oplossen. Het is heel logisch dat je verschillen tegenkomt. 'Stel, je hebt een verstandelijk beperkte dochter die na lang wennen eindelijk een dagstructuur heeft die voor haar werkt. Dan denk je als ouder wel twee keer na voordat je akkoord gaat met een nieuwe verandering. Als je in een gesprek deze twijfel van ouders hoort, begrijp je ook beter waar eventuele weerstand vandaan komt.'

Veel kopjes koffie 

'Dat betekent in de basis dus veel informele gesprekken met de verschillende doelgroepen. Soms moet je het idee echt in masseren en duurt het even voordat iedereen met de neus dezelfde richting op wijst. Voer dit soort gesprekken vooral op een spontane manier. Loop even binnen. Laat spontaan je gezicht zien. Of ga op een rustige plek met elkaar in gesprek.'

Wie leert de cliënt omgaan met de nieuwe technologie? 

Technologie is vaak best wel standaard ontwikkeld. De organisaties die ze maken hebben vaak geen compleet beeld van de doelgroep. Daardoor kan het zijn dat de technologie (nog) niet voldoende aansluit op (de wens van) cliënten. Prinsen: 'En als je dan niet oppast heb je iets prachtigs dat uiteindelijk sterft in schoonheid.' Na het betrekken van cliënten, naasten en zorgprofessionals bij de oplossing, is het daarom van belang om te bespreken wie verantwoordelijk is voor het leren omgaan met de nieuwe technologie en wat ervoor nodig is om cliënten dit te leren.

Begin met een kleine, overzichtelijke groep cliënten en koppel elke cliënt voor een bepaalde periode aan een medewerker. Want de kans op succes is groter als het leren omgaan met de technologie steeds op dezelfde manier wordt aangereikt. Begin met cliënten en medewerkers die vallen binnen de persona ‘klant’, om zo de kans op succes te vergroten.

Uiteindelijk kun je van daaruit de technologie ook bij ‘zoekers’ en ‘voorbijgangers’ introduceren. Het is dan wel belangrijk dat zorgprofessionals en naasten dan begrijpen dat de inzet van technologie hun rol verandert en dat zij dit ook graag willen. Zo werk je bijvoorbeeld samen aan de eigen regie van de cliënt. Je gaat dan een traject aan met de cliënt om hem impliciet aan te leren hoe hij om kan gaan met de nieuwe technologie.


Het is belangrijk dat zorgprofessionals en naasten begrijpen dat de inzet van technologie hun rol verandert.

Arno Prinsen: 'Vroeger vertelde een medewerker bijvoorbeeld bij binnenkomst welke dag het is en wat de client deze dag gaat doen, nu zoeken ze zijn mobiel en openen een app om te zien wat er die dag gaat gebeuren.'

Impliciet leren

'Maar impliciet leren is ingewikkeld', zo vertelt Prinsen. ‘Impliciet leren is een methode die voor alle doelgroepen (EMB, LVB en NAH) gebruikt kan worden. Daarmee zorg je ervoor dat iemand die geen inzicht heeft in het probleem of iets zelfs helemaal niet als probleem ervaart, toch iets aanleert. De methode is gebaseerd op herhalen van handelingen op dezelfde manier, in dezelfde omgeving. Dat betekent bijvoorbeeld dat iedere medewerker in dezelfde context, hetzelfde moet doen met de cliënt. Alleen dan kan een handeling inslijten.'

Impliciet leren kost daarom veel tijd. Voor succes moet je het hele systeem betrekken. Als één persoon afwijkt, verloopt het leren niet goed. Of als er iets verandert in de situatie (bijvoorbeeld een nieuwe medewerker die bij het leerproces wordt betrokken), moet je helemaal opnieuw beginnen. En daarom gaat ook weleens fout. Impliciet leren is daardoor regelmatig een oorzaak waar een implementatie op stuk loopt. Zorgverleners onderschatten nog wel eens het belang van impliciet leren.

Trainingshuis voor mensen met NAH 

Aanvullend op het verhaal van Prinsen vertelt Joost ter Velde (Siza) over het trainingshuis dat hij bij Siza heeft opgezet voor mensen met niet-aangeboren hersenletsel. 'Steeds meer cliënten hebben leervragen. Dat is een maatschappelijke verandering waar wij in zijn gesprongen. Met het trainingshuis proberen wij de zelfredzaamheid en praktische vaardigheden van cliënten te vergroten. Op dit moment doen we dat bij 11 cliënten, waarbij we ook via wetenschappelijk onderzoek kijken naar de effecten van de trainingen.'

Niet elke cliënt komt overigens in aanmerking voor het trainingshuis. De criteria zijn:

  1. De cliënt kan hulpvragen formuleren.
  2. De cliënt is intrinsiek gemotiveerd.
  3. De cliënt is leerbaar en trainbaar.
  4. De cliënt stemt toe om na afloop van het trainingstraject het trainingshuis te verlaten (na max. 1-1,5 jaar).

'Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de cliënt, focussen we ons op 3 methodieken. Het foutloos leren (een vorm van impliciet leren, interventie speciaal voor ‘voorbijgangers’), de eigen kracht besprekingen (interventie speciaal voor ‘zoekers’) én oplossingsgericht werken (interventie speciaal voor ‘klanten’). Per cliënt kijken we met het team welke methode van leren we gaan gebruiken. Het is echter maatwerk. Bij de één werkt dit, bij de ander werkt dat. Het komt dus ook vaak voor dat we een combinatie van de 3 methodieken inzetten.'

Observatieperiode 

Om de kans op succes te vergroten, start de periode in het trainingshuis bij Siza altijd met 2 tot 3 weken observatie. 'Daarin kijken we of iemand inderdaad leerbaar is. Wij observeren daarbij aan de hand van 9 thema’s.' Na de observaties gaan we door met het vaststellen van doelen. De hoofdbehandelaar werkt het vervolgens samen uit met het netwerk van de cliënt én de cliënt zelf.

De 9 observatie-thema’s

  1. Algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL)
  2. Huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen
  3. Sociale contacten
  4. Vaardigheden in openbare ruimten
  5. Administratie (geld, budgetteren)
  6. Reizen (hoe veilig ben je in het verkeer)
  7. Daginvulling (ontspanning en balans)
  8. Plannen/tijd (goede dagstructuur, vaak de start)
  9. Informatie (Telefoneren, hoe gaan mensen om met het nieuws)

Vaststellen doelen 

Het vaststellen van doelen klinkt heel makkelijk. 'Maar bij het leren van cliënten met NAH moet je echt goed kijken. Als iemand bijvoorbeeld wil leren koken, moet je niet alleen kijken of iemand zelfstandig boodschappen kan doen. Je moet ook kijken of de cliënt zijn eigen financiën kan beheren, of hij in staat is zelfstandig te reizen én of iemand zijn eigen recept kan bedenken en daarvoor een boodschappenlijstje kan maken. Pas als we op al die vragen antwoord hebben, gaan we werken aan doelen. Dat werken we volgordelijk uit in een training met helder stappenplan. En het hele team werkt hier vervolgens met de cliënt methodisch aan. Na de observaties gaan we door met het vaststellen van doelen. De hoofdbehandelaar en regiebegeleider werken het vervolgens uit samen met netwerk en deelnemer.'

Reageer op deze pagina

JOUW REACTIE
Wil je een link invoegen in de tekst? Zet de link tussen vierkante haken: [www.kennispleingehandicaptensector.nl]





Cookies op de website van Kennisplein Gehandicaptensector

Kennisplein Gehandicaptensector gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren.
Ik ga akkoord met het plaatsen van cookies (inclusief tracking cookies).
Niet akkoord en lees meer